Oogstdienst

Voorganger: Ds. Peter den Braanker

Organist: Ronald Ymker

M.m.v. Het mannenkoor uit Stadskanaal o.l.v. dirigent Moniek Timmer

 

Liturgie

 

Lied van de maand (te zingen voor de dienst): Lied 319

1      Alles wat er staat geschreven, Heer doe ons verstaan,

want uw woorden zijn ons leven, spreek ons aan!

2      Mozes heeft het vuur zien branden en hij werd uw knecht,

laat ons voortgaan aan zijn hand en wijs de weg.

3      Herder David werd een koning en hij zong uw lof,

en zijn zoon bouwde uw woning heerlijk af.

4      Wat de sterren niet verzwijgen sprak tot Abraham,

en een ster riep de drie wijzen toen Hij kwam.

5      Jezus heeft het laatst gesproken en zijn stem gaat voort,

want als graan is Hij gebroken, woord voor woord.

6      Zend uw regen uit de wolken die het groeien doet:

graan dat brood wordt voor uw volk in overvloed.

7      Gij gaat onze aard’ te boven, zend uw adem neer,

heel de aarde moet U loven, meer en meer.

 

Welkom door de ouderling van dienst

Aanvangslied (staande): Lied 212

1      Laten wij zingend deze dag beginnen!

Geven wij stem aan onze diepe vreugde

omdat wij dankbaar ons in God verheugen.

Zing Halleluja!

2      Hij, die het leven aan ons heeft gegeven,

ons deze nacht omgaf met goede zorgen,

roep ons nu vrolijk naar een nieuwe morgen.

Zing Halleluja!

3      Het is zijn zegen dat wij ons bewegen,

dat hart en ziel van vreugde kunnen springen,

met lijf en leden wij Hem dank toezingen.

Zing Halleluja!

4      Bron van het goede, die ons zo behoedde,

blijf elke nacht en dag, zo lang wij leven,

ons met uw liefdevolle trouw omgeven.

Zing Halleluja!

5      Blijf ons geleiden, ga aan onze zijde!

Al zal de hitte van de dag ons steken,

wij zijn voor altijd van uw liefde zeker.

Zing Halleluja!

Groet:

Voorganger:           In de Naam van de Vader en de Zoon

en de Heilige Geest.

Onze hulp is in de Naam van de Heer,

Gemeente:              die hemel en aarde gemaakt heeft,

Voorganger:           die trouw blijft tot in eeuwigheid

Gemeente:              en niet laat varen het werk van zijn handen

Gebed van toenadering (daarna gaat de gemeente zitten)

Het koor zingt:       – Zoals ik ben

Houd mij vast

Kyriëgebed

Glorialied:              Lied 150a

1      Geprezen zij God! Gij engelenkoor

dat steeds naar Hem hoort, prijs Hem om zijn Woord!

Gij hemelen, loof Hem wiens hand alles schiep,

die allen daarboven tot dankzegging riep.

2      Geprezen zij God! Gij allen op aard,

aanbid Hem die u als kind’ren aanvaardt.

Loof Hem die uw Heer is met juichende stem.

Beantwoord zijn liefde: leef altijd voor Hem!

3      Geprezen zij God! Laat alles wat leeft

nu zingen voor Hem die alles ons geeft.

Laat juub’len het orgel, laat harp en trompet

de glorie doen klinken van Hem die ons redt.

4      Geprezen zij God! Ons lied is gewijd

aan Hem die altijd ons helpt en geleidt.

Om zijn goede schepping, om hemels genot,

zijn gunst en vergeving: geprezen zij God!

Gebed om de opening van het Woord

1e Schriftlezing:     Psalm 8

Zingen:                   Lied 68: 7 en 12

7      God zij geprezen met ontzag

Hij draagt ons leven dag aan dag,

Zijn Naam is onze vrede.

Hij is het die ons heeft gered,

die ons in ruimte heeft gezet

en leidt met vaste schreden.

Hij die het licht roept in de nacht,

Hij heeft ons heil teweeggebracht,

dat wordt ons niet ontnomen.

Hij droeg ons door de diepte heen,

de Here Here doet alleen

ons aan de dood ontkomen.

12    Gij mogendheden, zing een lied,

zing Hem die koninklijk gebiedt,

hier en in alle landen,

Hij heft zijn stem, een stem van macht –

uw sterkte zij Hem toegebracht,

strek tot Hem uit uw handen.

Zijn heerlijkheid en hoog bevel

staan wakend over Israël,

geen wankeling gedogend.

Doorluchtig is uw majesteit,

geef aan uw volk standvastigheid,

o Here God hoogmogend.

2e Schriftlezing:     Jakobus 1: 12 – 18

Zingen:                   Lied 365: 1, 4, 5, 6 en 7

1      Wij dragen ons gaven, het werk van onze hand,

het werk van onze dagen, de garven van het land,

van wind en zon en regen – tot eer van U, o God en Heer,

halleluja!

4      Wij wijden U de schoven, wij wijden U het brood,

want brood komt uit den hoge van bij de Here God,

voor wie de halmen buigen –

tot eer van U, o God en Heer, halleluja.

5      Wij brengen U de druiven, wij plengen U de wijn,

die zal van U getuigen, die zal U eigen zijn,

geheel en al U eigen – tot eer van U, o God en Heer,

halleluja!

6      Het is en moet zo blijven de gave van uw hand,

al wat wij van U krijgen, de vruchten in de mand,

de broden op de tafel – tot eer van U, o God en Heer,

halleluja!

7      Gij hebt U zelf gegeven als zaad voor ons ontkiemd,

uw hart en ziel en zegen, Gij zijt het die ons dient

met vlees en bloed en leven – o God en Heer, groot is uw eer,

halleluja!

Het koor zingt:       – Lord I’m coming Home

– Kodosh

Preek

Orgelspel

Zingen: Lied 904

1      Beveel gerust uw wegen, al wat u ’t harte deert,

der trouwe hoed’ en zegen van Hem, die ’t al regeert.

Die wolken, lucht en winden wijst spoor en loop en baan,

zal ook wel wegen vinden waarlangs uw voet kan gaan.

2      De Heer moet gij vertrouwen, begeert gij d’uitkomst goed,

op Hem uw hope bouwen, zal slagen wat gij doet.

Door geen bekommeringen, geen klagen en geen pijn

laat God zich iets ontwringen: Hij wil gebeden zijn.

3      Laat Hem besturen, waken, ’t is wijsheid wat Hij doet!

Zo zal Hij alles maken, dat g’u verwondren moet,

als Hij, die alle macht heeft, met wonderbaar beleid

geheel het werk volbracht heeft, waarom gij thans nog        schreit.

4      Wel kan zijn hulp vertragen, en ’t schijnt soms in de nacht,

alsof geen licht zal dagen, alsof geen troost u wacht,

als u de angst doet beven dat God u niet meer kent,

dat Hij zich van uw leven voorgoed heeft afgewend.

5      Maar blijft gij met vertrouwen naar God zien in de nacht:

dan doet Hij u aanschouwen wat gij het minst verwacht.

Eens zal Hij u bevrijden ook van de zwaarste last,

houd moedig bij het strijden aan zijn beloften vast.

Het koor zingt:       – Tebe Pojem

– O, wat een dag

Gebeden

Inzameling van de gaven

Slotlied (staande): Lied 978

1      Aan U behoort, o Heer der heren,

de aarde met haar wel en wee,

de steile bergen, koele meren,

het vaste land, d’onzek’re zee.

Van U getuigen dag en nacht.

Gij hebt ze heerlijk voortgebracht.

2      Gij roept het jonge leven wakker,

een tuin bloeit rond het open graf.

Er ruisen halmen op de akker

waar zich het zaad verloren gaf.

En vele korrels vormen saam

een kostbaar brood in uwe Naam.

3      Gij hebt de bloemen op de velden

met koninklijke pracht bekleed.

De zorgeloze vogels melden

dat Gij uw schepping niet vergeet.

’t Is alles een gelijkenis

van meer dan aards geheimenis.

4      Laat dan mijn hart U toebehoren

en laat mij door de wereld gaan

moet open ogen, open oren

om al uw tekens te verstaan.

Dan is het aardse leven goed,

omdat de hemel mij begroet.

Zegen

Zingen:                   Amen (3x)

Het koor zingt:       – Jacobs Ladder